Er zijn van die dingen waarvan we met z’n allen zijn gaan doen alsof ze fantastisch zijn.
Koffie bijvoorbeeld. Iedere ochtend staan miljoenen mensen vrijwillig een bittere, zwarte vloeistof naar binnen te werken waar ze de eerste keer spontaan van beginnen te kokhalzen. Vervolgens lopen ze de rest van de dag rond met een adem waar een gemiddelde rioolput jaloers op is en tanden die langzaam dezelfde kleur krijgen als de koffie zelf. Twintig jaar later noemen ze zichzelf ineens trots ‘koffieliefhebber’.
Of wat te denken van bier. Als puber vinden we het allemaal stoer om bier te drinken, terwijl bijna niemand na dat eerste slokje denkt: ‘Zo, dát is lekker.’ Integendeel. We trekken een vies gezicht en drinken dapper door. Na een biertje of acht begint het dan eindelijk een beetje te smaken. Al smaakt op dat moment de opgewarmde shoarma van de lokale pizzaboer ook als een gerecht uit een sterrenrestaurant.
Patat. Ook zoiets. Een slappe gefrituurde aardappel waar je ongeveer een kilo van aankomt per hap. Toch staan we er met liefde een half uur voor in de rij. Net als pannenkoeken. Een slap stuk deeg waar volwassen mensen compleet enthousiast van worden zodra je er stroop overheen gooit. Ik snap het al bijna vijftig jaar niet.
Toch valt dit allemaal in het niet bij de grootste collectieve misser van allemaal. Werken.
Welke halve gare heeft ooit bedacht dat we het grootste gedeelte van ons leven besteden aan iets waar de meeste mensen eigenlijk helemaal geen zin in hebben? Diegene zou ik best eens aan zijn staartje willen trekken. Gewoon even vragen wie hij denkt dat hij is.
Gelukkig gloort er hoop. Ik hoor Elon Musk van de week in een interview vertellen dat werken over een jaar of tien misschien helemaal niet meer nodig is omdat kunstmatige intelligentie vrijwel alles kan overnemen. Eindelijk. Iemand die een beetje begint mee te denken.
Werken voor je geld.
Pfff.
Zwaar overschat!

KREK
Hahaha!