Het is warm. Niet uitzonderlijk warm. Niet Sahara-warm. Gewoon warm. Toch krijg je tegenwoordig het idee dat Nederland ieder moment spontaan in brand vliegt zodra het kwik richting de dertig graden kruipt.
Bij de NOS kleuren de weerkaarten donkerrood zodra het een paar dagen boven de 25 graden wordt. In Zuid-Europa trekken ze bij dezelfde temperaturen gewoon een korter rokje aan bij de weersverwachting. Ik weet eerlijk gezegd niet welke aanpak effectiever is, maar die tweede kijkt een stuk prettiger weg.
Ondertussen krijgen boeren nog steeds de rekening gepresenteerd van een zelfbedachte stikstofcrisis, wordt er steen en been geklaagd over een asielcrisis en is er volgens Den Haag overal geld tekort. Voor ouderen. Voor de zorg. Voor het onderhoud van bruggen die inmiddels meer scheuren vertonen dan mijn hamstrings na een intervaltraining.
Toch lukt het iedere keer weer om miljarden vrij te maken voor klimaatplannen, asielopvang, commissies, taskforces, werkgroepen en ongetwijfeld binnenkort een landelijke hittecoördinator met een eigen secretariaat.
Daarom heb ik besloten mijn eigen hitteplan op te stellen. Bij warm weer drink ik wat meer. Tijdens het hardlopen accepteer ik dat een training van twaalf kilometer ook best tien kilometer mag zijn en dat een tempo van 4:30 per kilometer bij dertig graden ineens verrassend veel lijkt op een sprint.
Tijdens de tennislessen las ik wat extra drinkpauzes in. Op het warmste moment van de dag blijf ik zoveel mogelijk binnen en boven de dertig graden klaag ik steen en been over het weer. Net als onze (groot)ouders dat in hun tijd hebben gedaan en die hadden er ook geen hitteplan voor nodig.
Tot nu toe werkt mijn systeem uitstekend. Het kost geen miljarden, er hoeft geen ambtenaar voor te worden aangenomen en niemand hoeft zich ergens aan vast te lijmen. Precies daarom verwacht ik niet dat Den Haag er iets in ziet.
