Je boekt een weekend Praag met het idee dat je jezelf cultureel gaat verrijken. Een beetje slenteren langs historische gebouwen, een fietstochtje, misschien een bibliotheek meepakken voor de vorm. Maar ergens, meestal al binnen een paar uur, kantelt zo’n trip. Dan wordt het geen citytrip meer, maar een veredelde foodtour met af en toe een oud gebouw tussendoor.
Want ja, we doen het allemaal netjes. Fietstocht langs de highlights, fantastische gids erbij, verhalen over geschiedenis waar we oprecht geïnteresseerd naar luisteren, maar stiekem denken we: hoe ver is het nog naar de lunch?
We beklimmen een burcht, we staan met open mond in de Strahov Library – terecht, want dat ding is belachelijk mooi – maar diep van binnen weten we allebei: dit is slechts de opmaat naar het volgende bord eten.
Iedere stap die we zetten, brengt ons dichter bij voedsel. Tienduizenden stappen op de teller, puur om de volgende maaltijd goed te praten. En wat een verademing dat eten eindelijk weer gewoon om eten draait.
Geen kuikentjes links en rechts die gevoerd moeten worden omdat ze anders besluiten om drie dagen in hongerstaking te gaan. Geen gesprekken over Rapunzel, Kit & Sam of een nagesynchroniseerd k*tfilmpje. Gewoon zitten, praten en eten als twee volwassen mensen die dat blijkbaar al jaren niet meer hebben gedaan.
Ik ben al een jaar serieus bezig. Hardlopen, opletten wat ik eet, een beetje doen alsof ik discipline heb. Met hulp van Klaas Tuip ben ik ruim acht kilo kwijtgeraakt. Acht kilo. Dat is geen ongelukje, dat is werk. Zweten. Nee zeggen tegen dingen waar je eigenlijk gewoon ja tegen wilt zeggen.
En dan kom je in Praag.
De eerste avond schuiven we aan bij Sa Sa Zu voor de ‘Taste of Sa Sa Zu’. Acht gerechten. Klinkt overzichtelijk. Dat is het niet. Na gerecht drie denk je nog: dit gaat prima. Na gerecht vijf begin je te twijfelen aan je eigen keuzes in het leven. En bij gerecht acht zit je daar, zwijgend, knikkend en jezelf afvragend hoe je hier ooit nog waardig vandaan gaat komen.
Alsof dat nog niet genoeg is, gaan we zaterdagmiddag los bij Špejle Jungmannova. Spiesjes. Twintig. Omdat iemand dacht: laten we alles gewoon proberen. ’s Avonds doen we er bij Na Čepu nog een schep bovenop. Rundertartaar, toastjes gebakken in rundervet – omdat dat natuurlijk logisch is – en vervolgens een halve kinderboerderij aan varkensribbetjes. Sous-vide, zoet-pittig, smeltend van het bot. Alsof mijn lichaam ergens onderweg al niet meerdere keren ‘nee’ heeft geroepen.
En dan, alsof iemand ergens nog een grap wilde maken, nemen we ook nog een toetje. Een Mini Pavlova. ‘Mini’. Ik weet niet wie dat heeft bedacht, maar die persoon heeft nog nooit een spiegel gezien. Dat ding heeft meer suiker dan een gemiddelde basisschoolklas tijdens een traktatie.
Na (netto) twee dagen Praag ben ik er vrij zeker van dat ik bij het inchecken niet wordt gevraagd naar handbagage, maar naar lichaamsgewicht. ‘Meneer, dat is dan 15 euro per extra kilo.’
En dan hebben we nog ruim een halve dag te gaan. Ik maak me oprecht zorgen…
