Nu ik mezelf weer heb ingeschreven voor een marathon (mijn laatste kunststukje), komen ze vanzelf weer naar boven. Die herinneringen. Niet aan tijden, schema’s of de perfecte voorbereiding, maar juist aan alles wat er misgaat of simpelweg te mooi is om te vergeten.
Mijn eerste marathon. New York. Ik sta daar ongetraind in het startvak en met ongetraind bedoel ik ook echt: totaal ongetraind. Geen schema, geen lange duurlopen, geen idee wat me te wachten staat. Gewoon een startnummer opgespeld en gaan.
Nog voordat we begonnen zijn, gaat het al mis. Iemand schopt per ongeluk mijn chip van mijn schoen. Op het moment dat ik buk om ’m op te rapen, komt de massa in beweging. Daar sta je dan. Ik gris ’m van de grond en stop ’m in mijn zak. Gevolg: geen registratie, geen tussentijden, geen officiële finishtijd. Afijn, gelukkig hebben we de foto’s en de medailles nog (ergens).
In de marathons daarna gaat het beter. In Amsterdam, in Berlijn – met een ontstoken kniepees – in Rotterdam en in Athene. Die laatste blijft het meest hangen. Niet omdat het makkelijk was, dertig kilometer omhooglopen voel je overal, maar juist om die kleine, gekke momenten.
In de voorbereiding train ik altijd met een groepje. Eentje van ons houdt de sfeer erin. Laten we hem voor het gemak Ed noemen. Als we erdoorheen zitten en iemand vraagt hoe ver het nog is, komt steevast zijn antwoord: ‘Nog een klein pumpie.’ Ook al is het nog twintig kilometer.
Op de dag van de marathon staat Ed een paar startvakken voor me. We wensen elkaar succes en gaan onze eigen weg. Het startschot klinkt en niet veel later word ik ingehaald door een groepje vrouwen verkleed als ‘Phidippides’, de grondlegger van de mythische afstand.
Misschien waren het wel mannen, maar in mijn hoofd zijn het sirenes in harnas, met sandalen, zwaard en schild. Sta ik daar, zogenaamd goed voorbereid en word ingehaald door een stel ‘Griekse halfgodinnen’ die er een carnavalsoptocht van maken.
Het duurt even voordat ik die klap te boven ben. Nog iets langer voordat ik Ed in het vizier krijg. Ik loop op hem in – begin al te glimlachen – en in het voorbijgaan tik hem op zijn schouder en zeg: ‘Nog een klein pumpie, vriend.’ We moeten dan nog zo’n 26 kilometer en schieten allebei in de lach.
Precies wat ik nodig heb om te relativeren. De rest van de marathon loop ik met een glimlach. Althans, zo herinner ik het me. Grote kans dat ik in die laatste twaalf kilometer bergaf nog wat Griekse goden heb vervloekt. En misschien nog wel het mooiste: later laat ik Phidippides en zijn gevolg weer achter me.
Gewoon — omdat het kan — en omdat het nog maar een klein pumpie is.

Geweldig oudst