Zoals ik al vaker heb gememoreerd, was mijn moeder een fantastische vrouw. Klein nadeel? Ze kon een situatie soms ietwat verkeerd inschatten. Dat is in die tijd ook niet zo vreemd. Tegen de tijd dat ik een jaar of twaalf ben, heb ik het ziekenhuis al vaker van binnen gezien dan de gemiddelde coassistent.
Ik word aangereden door een motor. Scheur mijn buik open aan een schuurdak. Twee keer geschept door een auto. Heb littekens waar Google Maps nog een route overheen zou kunnen plannen en op een gegeven moment kijkt niemand er meer van op. Ook mijn moeder dus niet.
Tot die ene zomerdag. Tijdens een potje voetbal in het zwembad ga ik voor een kopbal die de geschiedenisboeken in zal moeten gaan. Tenminste, zo zie ik het voor me. Het loopt echter iets anders. De keeper timet zijn vuist namelijk beter dan ik mijn sprong. Op het moment dat ik bijkom, kijkt een vriend me aan en predikt de legendarische woorden:
‘Jan… die nees van je staet nag skever dan de Toren van Pisa.’
Vrij vertaald, ‘Jeetje, Jan. Je neus staat scheef.’
Zijn gezicht spreekt boekdelen en dus stap ik op de fiets en rij naar huis. Dat is nog een hele onderneming. Ieder zuchtje wind voelt alsof iemand met een sloophamer op mijn hoofd staat te beuken. Ik verwacht dus dat thuis meteen alle alarmbellen afgaan en minstens de spoedeisende hulp van alle ziekenhuizen in Noord-Holland en omstreken wordt ingelicht.
Niets van dat alles.
Thuis kijkt mijn moeder welgeteld één keer op van waar ze mee bezig is en dan…
‘Gae moar zitte. Et gaet wel weir oever veer je un maasie binne.’
Vrij vertaald: ‘Dat ziet er niet goed uit zoon. Ga maar even zitten. Je vader komt er zo aan.’
Een paar uur later – mijn neus heeft inmiddels geen heimwee meer naar zijn oorspronkelijke positie – komt mijn vader thuis. Hij kijkt naar mijn gezicht, kijkt weer naar mijn moeder en ontploft zowat.
Nog geen vijf minuten later zitten we in zijn goudkleurige Ford Escort op weg naar het ziekenhuis in Amsterdam. Aangekomen bij het ziekenhuis gebeurt natuurlijk precies wat je kunt verwachten als je Jan Koning heet. Mijn vader draait het autoraam dicht. Met mijn vingers er nog tussen. Ik schreeuwen. Hij vloeken. Mijn neus ben ik spontaan even vergeten.
In het ziekenhuis zet een jonge arts mijn neus zonder enige waarschuwing weer recht. Ik zal de exacte woorden die ik daarna gebruik maar achterwege laten. Hij plakt een stuk tape op mijn neus, geeft me een hand en zegt:
‘Voorlopig niet voetballen.’
Hij loopt vervolgens naar de deur, draait zich nog één keer om, grijnst en zegt:
‘Kickboksen is ook geen optie.’
(Bovenstaand verhaal is een fragment uit mijn semi-biografische schelmenroman Zijwind.)
