Wachten tot de zon gaat schijnen...
Wachten tot de zon gaat schijnen...

Vijftien jaar. Zoveel tijd hebben we volgens mijn voorbeeld Mark Manson ongeveer écht voor onszelf. Althans, wanneer we ervan uitgaan dat we tachtig jaar worden. Hij ziet echter de allergrootste ‘boosdoener’ over het hoofd. Of hij wil er gewoon niet op wachten…

Volgens zijn berekening – en eerder al die van Chris Bailey – slapen we 27 jaar, werken we 11 jaar, eten we 6 jaar, reizen of forenzen we 5 jaar, doen we 4 jaar administratie en boodschappen, besteden we 3 jaar aan het huishouden en persoonlijke verzorging en hebben we de eerste jaren van ons leven überhaupt nog niet helemaal door wat er allemaal gebeurt.

Blijft er dus zo’n vijftien jaar over die echt van ons zijn. Wat Manson – al dan niet bewust – vergeet te benoemen, is de bizarre hoeveelheid tijd die we in ons leven besteden aan wachten.

Wachten op de bus. Wachten bij de kassa. Wachten tot de dokter je naam roept. Wachten op dat ene telefoontje. Wachten op dat ene mailtje. Wachten op de uitslag van je examen. Wachten tot we tijd hebben. Wachten tot we rijk zijn. Wachten tot de zon schijnt. Wachten tot de oortjes van je kinderen aangroeien en vervolgens wachten tot ze die ook daadwerkelijk gaan gebruiken. Ik vermoed dat ik voor dat laatste deel al kan wachten tot ik een ons weeg.

Het gekke is dat wachten voelt als verloren tijd. Alsof iemand op de pauzeknop heeft gedrukt. Alsof het echte leven straks weer verdergaat zodra de trein arriveert, de uitslag binnenkomt of die mail eindelijk verschijnt.

Terwijl dat natuurlijk onzin is. Wachten is simpelweg onderdeel van het leven. Sterker nog, een groot deel van ons leven speelt zich juist af tussen de momenten waar we zo naar uitkijken.

We onthouden echter alleen de hoogtepunten. De vakantie naar Italië. Die marathon. Dat ene telefoontje met goed nieuws. Die promotie. Dat doelpunt. Die eerste kus.

De waarheid is echter dat die momenten samen misschien maar een paar dagen van ons leven beslaan. De rest speelt zich af ertussenin. In de wachtruimte.

Het lijkt me daarom verstandig om wat vriendelijker te zijn voor de tijd waarin ogenschijnlijk niets gebeurt. De tijd voordat de trein komt. Voor de vakantie die nog maanden weg is. Voor het telefoontje dat nog moet komen. Voor de tijd voordat de kinderen eindelijk eens gaan luisteren.

Want achteraf blijkt het leven zelden te bestaan uit de momenten waar we op wachten. Het bestaat vooral uit de tijd die ertussen zit.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *