Gisteren sneuvelen er opnieuw records. Het ene na het andere. Op een manier die steeds minder verrast en tegelijkertijd blijft verbazen, want ergens blijft die vraag hangen: waar eindigt dit eigenlijk?
Er zijn van die vragen die je als sportliefhebber niet loslaten. Waar eindigt dit? Zit er überhaupt een grens aan wat een mens kan? Of blijven we onszelf eindeloos verbeteren totdat we straks met z’n allen 2.05 meter lang zijn en een marathon lopen op slippers?
Gisteren is weer zo’n dag. In Luik-Bastenaken-Luik wordt het snelheidsrecord aan gort gereden. Dat is echter nog maar het voorgerecht. Want tijdens de marathon in Londen gebeurt iets waarvan we jarenlang denken: leuk idee, maar onmogelijk.
Die grens van twee uur? Die is eraan. Gewoon. Weg. En dan zit ik daar. Op de bank met een stemmetje in mijn hoofd dat zegt: ja maar… dit kan toch niet?
Dat stemmetje ken ik al langer. Dat zit er al sinds de tijd dat Pete Sampras en Andre Agassi elkaar de tent uitvechten. Op dat moment denk ik al: beter dan dit wordt het niet. Dan komen plotseling Roger Federer, Rafael Nadal en Novak Djokovic. Einde discussie. Dit is de top.
Totdat er ineens twee gasten opstaan die klinken als een Spaanse strandtent en een Italiaans restaurant. Carlos Alcaraz en Jannik Sinner. Die slaan ballen terug waarvoor je vroeger opstaat om te klappen. Nu is het gewoon een rally.
En zo gaat het overal. Op de fiets. In het zwembad. Op de atletiekbaan. Grenzen blijken geen grenzen, maar suggesties. Richtlijnen. Een soort ‘maximaal aanbevolen snelheid’ waar iemand altijd overheen knalt.
Volgens mijn buurvrouw – biologe, dus die zegt dit met gezag – zit er wel degelijk een limiet aan het menselijk lichaam. Spieren. Zuurstofopname. Pezen. Alles heeft een plafond. Maar, zegt ze er dan droog achteraan: ‘Misschien evolueren we wel en veranderen we weer in vissen, zodat we straks weer wereldrecords gaan zwemmen.’
Kijk, daar heb je dus niks aan en dus blijf ik zitten met die vraag, waar eindigt dit?
En hoop ik ondertussen op een wonder. Dat we in de tussentijd – en het liefst voor ik de marathon in Eindhoven loop in oktober – misschien toch evolueren. Naar een jaguar of zo. Volgens mijn buurvrouw gaat dat echter nog een paar miljoen jaar duren.
Dus zit er maar één ding op. Gewoon keihard blijven trainen. Ik heb zelf ook nog wel wat magische grenzen te slechten…
