‘Dit gek*t moet over. Hij bestaat niet!’ Het zijn de exacte woorden die mijn moeder bezigt als ze een eind maakt aan de prachtige illusie die Sinterklaas heet. Vanaf dat moment vieren wij thuis Kerst.
Ik zal op dat moment misschien zes jaar oud zijn en mijn broer vier. Ik kan er een jaartje naast zitten, maar ouder zullen we zeker niet geweest zijn. En voor jullie nou denken dat mijn moeder een harteloos monster was – ze was het tegenovergestelde – hier ging wel iets aan vooraf.
Mijn broer, een aardige jongen verder, had in die tijd ernstige last van astma. Eens in de zoveel tijd kwam er zelfs een dame bij ons thuis om hem te ‘kloppen’. Ik geloof dat hij er inmiddels gelukkig aardig overheen is gegroeid, maar in zijn jonge jaren had hij er dusdanig last van dat het zelfs een glansrijke voetbalcarrière in de weg heeft gestaan. Dat hij op latere leeftijd een groot liefhebber van het beroemde goudgele gerstenat is geworden, zal ook niet mee hebben geholpen, maar dat terzijde.
Afijn, het Sinterklaasverhaal dus. Zodra de Goedheiligman ons land aandeed, werd mijn broer altijd zo nerveus dat zijn astma steeds heftiger werd. Dit nam naarmate 5 december naderde dusdanige vormen aan dat hij met een levensbedreigende astma-aanval in het ziekenhuis opgenomen moest worden. De eerste keer was al erg genoeg, maar toen dit het jaar daarop weer gebeurde, sprak mijn moeder dus de legendarische woorden: ‘Dit gek*t moet over. Hij bestaat niet!’
Voor ons was de magie van het Sinterklaasverhaal direct over en niet veel later voor mijn vrienden en klasgenootjes ook, want zo’n groot ‘geheim’ kon ik als zesjarige natuurlijk niet bewaren. Het werd me door veel van hun ouders niet in dank afgenomen. Die hadden hun kroost – net als ik – in de decembermaanden graag nog even in de waan gelaten. Al was het alleen maar om ze in het gareel te houden omdat ze anders een enkeltje Spanje boven het hoofd hangt.
Van die tactiek heeft mijn moedertje niet zo heel lang gebruik kunnen maken. Misschien is het daar ‘fout’ gegaan…
