Twee keer per week heb ik het voorrecht om met Marion te wandelen. Een Engelse dame van 92 jaar met een prachtige lach, een scherpe geest en een eindeloze voorraad verhalen. Iedere wandeling weet ze me weer te verrassen.
Deze keer vertelt ze dat ze pas op haar 78e voor het eerst buiten Engeland kwam. Ik vraag haar of ik het goed heb verstaan.
‘Achtenzeventig?’
Ja, knikt ze lachend. Veertien jaar geleden is ze naar Nederland verhuisd en dat is de eerste keer dat ze de Engelse grens over is gestoken.
‘We were real countryfolks,’ zegt ze. ‘And there are so many beautiful places to visit in England.’
Ik moet er even over nadenken. Achtenzeventig jaar. Geen stedentrips naar Europese hoofdsteden. Geen vliegvakanties naar zonnige stranden. Geen backpackavonturen aan de andere kant van de wereld. Geen foto’s vanaf tropische bestemmingen voor sociale media. Gewoon Engeland.
Het opvallendste van alles? Er klinkt geen greintje spijt door in haar stem. Het zet me aan het denken. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat iemand daar tegenwoordig nog genoegen mee neemt.
We leven in een tijd waarin alles binnen handbereik ligt. Als we willen, boeken we vanavond nog een vlucht voor morgen. We verzamelen bestemmingen alsof het voetbalplaatjes zijn. Altijd op zoek naar de volgende ervaring, de volgende herinnering of de volgende plek die we nog niet hebben gezien.
Terwijl we verder wandelen vertelt Marion over dorpjes, kustplaatsen en heuvels waar ik nog nooit van heb gehoord. Haar ogen beginnen te glimmen alsof ze het over de mooiste plekken op aarde heeft.
Waarschijnlijk zijn dat voor haar ook gewoon de mooiste plekken op aarde en ineens vraag ik me iets af. Wat is nou rijker? De hele wereld willen zien of een leven lang genoeg hebben aan wat al dichtbij is.
