Urenlang zit ik op het puntje van mijn stoel voor de mooiste koersen ter wereld. Zet me op een dijk met een paar wielrenners en ik verander spontaan in een licht geïrriteerde dorpsgek.
Begrijp me niet verkeerd, ik ben een groot wielerliefhebber. Echt zo eentje die alles kijkt. Van de vijf monumenten – Milaan-San Remo, Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix, Luik-Bastenaken-Luik en de Ronde van Lombardije – tot de grote rondes: de Giro d’Italia, de Tour de France en de Vuelta a España. Als het ergens over asfalt, kasseien of grind gaat en iemand rijdt er hard overheen dan zit ik klaar.
Ik heb er uren, dagen, weken van mijn leven aan besteed. Ademloos kijken naar Armstrong (ja, ik ben gewoon nog steeds groot fan!) tegen Ullrich. Naar Pogacar tegen Vingegaard. Naar dat onnavolgbare geweld in de monumenten waar Van der Poel en Pogacar elkaar proberen te breken alsof het een potje mens-erger-je-niet is, maar dan met 200 kilometer aan voorafgaand lijden. Helden noem ik ze niet. Die titel reserveer ik voor mensen die daadwerkelijk iets betekenen voor anderen. Maar legendes zijn het absoluut. Mijn respect is groot. Echt groot.
Voor wielrenners in het wild ligt dat net even anders.
Zodra diezelfde sport zich verplaatst van de televisie naar de openbare weg gebeurt er namelijk iets. Dan verandert die heroïsche atleet ineens in een soort zelfbenoemde verkeersminister. De weg is van hen. Altijd. Overal. Ongeacht hoe smal dat fietspad is. Ze komen langs als een wervelwind, scheren rakelings langs je heen en laten je achter met een hartslag waar je normaal een intervaltraining voor nodig hebt. Dat is echter nog tot daaraan toe.
Wat me misschien nog wel het meest stoort is dat simpele, kleine, totaal niet inspannende gebaar dat ze niet maken: even groeten.
Ik groet – tot grote ergernis van mijn hardloopmaat – namelijk alles. Hardlopers, wandelaars, fietsers, wielrenners, auto’s, honden, katten en af en toe zelfs een verdwaald vliegtuig. Maar wielrenners? Negen van de tien keer: niks. Geen knikje. Geen handje. Geen ‘hoi’. Hooguit één op de honderd keer een halfslachtige vinger die omhoogkomt, alsof ze per ongeluk een spiertje hebben geactiveerd.
Als ik het moet rangschikken wordt het pijnlijk. Hondenbezitters op één. Wandelaars op twee. Automobilisten op drie. Fietsers op vier. Wielrenners bungelen ergens rond plek acht. Of negen. Of gewoon buiten de lijst. Vreselijk.
Maar ja, als ze er zo uitzien als op de foto blijf ik ze toch vrolijk begroeten. En ik denk dat zelfs mijn hardloopmaat het daar mee eens is.
