Als schrijver heb ik natuurlijk iets met mooie woorden. Niet figuurlijk, zoals die politici die in verkiezingstijd niets dan mooie woorden bezigen en zich zowat heilig verklaren, maar echt mooie woorden. Zo sta ik laatst te wachten in de lobby van het gemeentehuis en zie ik het woord acceptatiecriteria op het informatiescherm verschijnen. En wees nu even eerlijk. Dat is toch echt een prachtig woord!
Acceptatiecriteria. Zo’n woord dat je eigenlijk nog een keer wilt lezen. En daarna nog een keer hardop wilt uitspreken.
Ac-cep-ta-tie-cri-te-ri-a.
Daar zit ritme in. Gewicht. Bijna iets plechtigs. Alsof er ergens een deur opengaat zodra iemand het woord uitspreekt. Toen dacht ik bij mezelf: hoeveel van dat soort woorden hebben we eigenlijk? Woorden die niet alleen iets betekenen, maar die ook gewoon heerlijk zijn om uit te spreken.
Van die woorden waar je mond een kleine gymnastiekoefening voor moet doen.
Dijenkletsers.
Kakenbrekers.
Tongtwisters.
En sinds dat moment betrap ik mezelf erop dat ik er overal naar op zoek ben. Merk ik overigens ook dat ik een duidelijke voorkeur heb. Lanterfanten, rapalje, schobbejak, schavuit, kwakzalver, charlatan, schuinsmarcheerder, klaploper en blaaskaak. Daar zit toch een soort rode draad in, zou je bijna zeggen.
Blijkbaar hebben de mooiste woorden in onze taal vaak iets ondeugends. Iets licht spottends. Het zijn woorden waar meteen een klein toneelstukje bij ontstaat. Een schobbejak die weer iets heeft uitgehaald. Een blaaskaak die zichzelf buitengewoon interessant vindt. En een klaploper die toevallig altijd opduikt als de hapjes rondgaan.
Acceptatiecriteria heeft misschien niet het karakter van een schobbejak of het volume van een blaaskaak, maar mooi blijft het wel. Dus mocht u zelf nog zo’n prachtig woord kennen, een echte schobbejak van een woord, laat het vooral even weten. Ik geniet ervan.
