Ik loop even bij de overbuurtjes langs om te vragen hoe de vakantie is geweest. Gewoon even aanbellen. Beetje bijpraten. Zo hoort dat.
Voordat ik aanklop, werp ik – heel onschuldig uiteraard – even een blik naar binnen. Daar zitten ze. Of eigenlijk: daar liggen ze. Vader. Moeder. Drie zoons. En allemaal turend naar het scherm van hun mobiele telefoon.
‘Het nieuwe normaal’, zegt de man des huizes later. Ik knik, omdat ik weet dat hij gelijk heeft.
Waar de mobiele telefoon – en zeker ook social media – ons op wereldschaal dichter bij elkaar brengt, gebeurt thuis het tegenovergestelde. In plaats van één gezin ontstaan er vijf eilandjes. Ieder in zijn eigen bubbel. Af en toe wisselen we nog een woord, maar meestal is het ieder voor zich.
En ik doe net zo hard mee. Drie handen in eigen boezem.
We worden wakker, pakken onze telefoon en voordat we koffie (of Cola Zero in mijn geval) hebben gehad, liggen er al drie oorlogen, twee politieke schandalen, een klimaatcatastrofe en een moreel dilemma op ons bord.
Goedemorgen.
Alsof iemand besluit dat wij persoonlijk verantwoordelijk zijn voor alles wat er misgaat op deze planeet. Alsof er ergens een vergadering plaatsvindt zonder ons, waarin wordt gezegd: ‘Weet je wie dit kan dragen? Jan. Die heeft brede schouders.’
Nieuwsflits: die heb ik niet. Sterker nog, ik heb er maar één. Een ‘prettige’ herinnering aan een boemetje van een paar jaar geleden. Dus als iemand denkt dat ik de wereld wel even tors, dan moet ik teleurstellen.
We zijn hier niet voor gemaakt. We zijn niet gebouwd om de problemen van zeven miljard mensen in onze broekzak mee te dragen. We hebben het al druk genoeg met ons eigen universum. Werk dat af moet. Kinderen die aandacht verdienen. Een straat waar het soms al ingewikkeld genoeg is om normaal met elkaar om te gaan.
En toch zitten we daar. Met z’n vijven. In één woonkamer. Alleen.
Misschien is dát het nieuwe normaal. Maar als dit het nieuwe normaal is, dan hoop ik dat de wifi er vanavond ook bij ons in de wijk even uitligt.
