Vier weken geleden loop ik de Halve Marathon van Egmond in een tijd waar ik stiekem best even van onder de indruk ben. Niet wereldschokkend. Niet Olympisch. Maar wél knap. Zeker omdat ik niet eens voluit ga of kan. En omdat het dit jaar nóg sneller gaat worden. Dat weet ik gewoon. Of tenminste… dat denk ik.
Want ergens tussen Egmond en gisteren besluit mijn voorhoofd dat het tijd is voor een eigen marathon. Een hardnekkige voorhoofdsholteontsteking. Eerst nog stoer uitzieken. Thee. Honing. Zielig kijken. Maar als mijn vrouw geen greintje medelijden toont, toch maar antibiotica.
En daar sta ik dan. Van kilometers in 3.40 alsof het een wandeling naar de koelkast is, naar 4,75 kilometer alsof ik door rul zand ploeg met een koelkast op mijn rug. 4,75 kilometer. Met pijn en moeite. Over het tempo praten we niet.
En dan besef ik het ineens. Hoe weinig wij als mens eigenlijk voorstellen. Vier weken geleden glorieus langs de vloedlijn, als een onoverwinnelijke Galliër die viert dat zijn dorp nog altijd het laatste dorp is dat zich staande weet te houden tegen de Romeinse overheersers. Borst vooruit. Blik op oneindig. Wind tegen. Zee naast me. Onaantastbaar.
Nu hijgend tussen twee lantaarnpalen als een verstokte kettingroker die in zijn vorig leven nog wel eens een blokje om ging. Met een hartslag die ik alleen herken van tijdens de halfjaarlijkse echtelijke daad. En dan nader ik het hoogtepunt.
Hardlopen is meedogenloos. Het onthoudt niets. Het vergeeft niets. Bij tennis, voetbal of basketbal kun je een half jaar niets doen en lijkt het eerste potje alsof je nooit bent weggeweest. Het tweede potje is dan meestal drama, want dan ga je weer te veel ‘in je hoofd’ zitten.
Maar hardlopen? Dat legt je genadeloos terug op nul. Geen smoesjes. Geen team. Alleen jij en Strava die zonder enige empathie je verval registreert. Alsof het algoritme ergens in Silicon Valley zachtjes gniffelt en denkt: ‘Interessant. Daling van 1 minuut 42 per kilometer. Dit gaan we onthouden.’
En toch zit daar ook iets moois in. Want terwijl ik gisteren denk: dit is beschamend, denk ik ook: dit komt terug. Het lichaam is kwetsbaar, maar ook absurd veerkrachtig. Wat afbrokkelt, kan weer opgebouwd worden. Wat stilvalt, kan weer bewegen.
Over een paar weken. Misschien maanden. Dan sta ik er weer. Werkend richting het grote doel van dit jaar en ondertussen wat subdoelen slechtend alsof het dominostenen zijn. En zo is het niet alleen in het hardlopen. Het leven zelf gooit ons soms terug naar nul. Verlies. Pijn. Tegenslag. Noem het maar op. We incasseren, verwerken en beginnen gewoon weer. Stap voor stap.
Van Egmond naar nul. En weer vooruit.
